Voor een Ere Zilveren Nipkowschijf voor Matthijs van Nieuwkerk is 2020 hét uitgelezen jaar, vanwege een perfect afgerond vijftiende seizoen van De Wereld Draait Door, een programma dat in zijn tomeloze ambitie en energie een blijvende invloed heeft gehad op het televisielandschap. Naast verstilde ontroering in menige huiskamer, vielen Van Nieuwkerk (1960) bij dit afscheid loftuitingen ten deel als ‘de grote bewonderaar’, presentator van ‘het invloedrijkste programma van de eeuw’, ‘het kon niet intiemer’.

DWDD was weliswaar een van de weinige grote talkshows die niet naar de presentator was genoemd, maar toch was het programma ondenkbaar zonder Van Nieuwkerks vastberadenheid om uit al zijn uitzendingen het maximale te halen. Hij legde zichzelf en zijn kijkers een razend tempo op, maar zonder dat die snelheid ten koste ging van de kwesties die ter tafel kwamen of van de scherpte van zijn interviews. De radicaal nieuwsgierige Van Nieuwkerk wil laten zien wat er belangrijk en de moeite waard is in de wereld, zonder zich daarbij te verliezen in abstracte grootheden. In De Wereld Draait Door moest alles concreet en persoonlijk zijn. Van Nieuwkerk wil niet alleen volgen, hij wil ook maken – en dat onderscheidde zijn talkshow van andere praatprogramma’s.

Al bij de toekenning van de Zilveren Nipkowschijf in 2011 noemde de jury De Wereld Draait Door ‘de belichaming van het oude sociaal-democratische verheffingsideaal’, wat het meest concreet tot uiting kwam in de uitvoering van het geheel uit stilte bestaande nummer 4’33’’ van John Cage. Maar Van Nieuwkerks liefde voor kunst – en dan met name muziek en literatuur – maakte zijn programma een aanstekelijke en dominante kracht in de Nederlandse cultuurwereld. Een programma van de eenentwintigste eeuw ook, waarin hoge en lage cultuur met dezelfde ernst en aanhankelijkheid tegemoet werden getreden

Het succes was voor Van Nieuwkerk nooit een aanleiding om de automatische piloot aan te zetten. Zijn programma bleef vijftien jaar lang zoeken naar nieuwe invalshoeken. Van Nieuwkerk toonde zich een man die altijd maar weer het beste uit zijn talenten wist te halen op het hoge pad waarbij televisie van grote kwaliteit wordt gemaakt voor een miljoenenpubliek. Daarmee heeft hij televisiegeschiedenis geschreven.

Nee toch, niet weer twee BN’ers die zich een blauwe maandag gaan ‘onderdompelen’ in een bepaald beroep? O wacht, we gaan zien hoe moeilijk het is om les te geven aan lastige pubers. Dat zal dan wel op Dream School lijken? Niks van dat alles. Tim den Besten en Nicolaas Veul verrasten vriend en vijand door zich met hart en ziel te storten op het vak, pardon, de roeping van docent. Niet een, of twee of drie dagen, maar 100 dagen voor de klas (VPRO).

Met dezelfde intensiteit waarmee het duo achttien dagen lang hun hele leven online zette – in Super Stream Me (2016) – gaan de mannen in 100 dagen voor de klas een nieuwe openbare uitdaging aan: kunnen Den Besten en Veel zich staande houden als leraar? Wat komt daarbij kijken? In ieder geval kost het veel meer energie dan ook zij voor mogelijk hadden gehouden. En er valt een lange lijst strubbelingen en tegenslagen op te maken: verbluffend om te zien welke problemen een docent moet overwinnen – zeker wat betreft het krijgen van de aandacht van de leerlingen – voor je überhaupt toekomt aan de lesstof.

De verschillende karakters van Nicolaas en Tim zorgen voor een goede balans in de serie, want ze gaan niet bepaald op dezelfde manier te werk. Mooi om te zien is hoe ze elkaar steunen en aan nieuwe inzichten helpen: hun vriendschap zorgt voor een extra laag in het programma.

De worsteling met klassikale ‘shaming’ van Den Besten en Veul door hun leerlingen is voor de kijkers misschien entertainment, maar voor de gewone docent dagelijkse routine. Toch, hoe diep de liefde voor het lesgeven in de genen zit van de betrokken docenten: het is ontroerend om te zien en zorgde voor diep respect voor dit ‘vitale’ beroep. Tijdens de lockdown twitterden kijkende docenten teksten als: ‘Ach, door dit soort beelden krijg ik zo veel zin om weer voor de klas te staan’.

Wellicht ook omdat hun handen jeukten, maar zeker omdat 100 dagen voor de klas een monument is voor het onderwijzersvak.

De speciale vorm die Stef Biemans koos voor Brieven aan Andalusië geeft zijn zesdelige reeks meer diepgang dan de gebruikelijke reisserie. De dichter onder de Nederlandse reisverslaggevers is met zijn gezin uit Nicaragua gevlucht naar het Zuid-Spaans dorp Utrera.

Ter inburgering schrijft de VPRO-programmamaker brieven aan zijn streekgenoten, die hun antwoorden voor de camera zelf voorlezen. Op het moment dat de Andalusiërs dit doen, komt er een glans over hun gezicht. Ze worden gehóórd, en ze zijn bereid hun hart te openen voor de nieuwe bewoner. “Een brief heeft iets ontwapenends”, begreep Biemans.

Zo leer je in de eerste plaats Andalusië kennen – aantrekkelijk maar arm, hier wonderschoon in beeld gebracht. Maar je krijgt ook van alles mee over de onderdrukking in het land dat de Biemans heeft achterlaten, Nicaragua. En, het belangrijkste: je leert wat het betekent om vluchteling te zijn. Dat je migranten in soorten en maten hebt, ziet Biemans, die als Nederlandse journalist een migrant de luxe is. Een positie die hem nu de mogelijkheid geeft om minder fortuinlijke migranten te portretteren.

Daartoe behoren vooral ook Biemans eigen vrouw en kinderen. Zij lijden hevig onder het verlaten van Nicaragua. Biemans vrouw Audrey is chirurg, maar in Spanje mag ze nog niet eens een pleister plakken. Gaandeweg wordt Audrey, wier gevoelens van verlies, agitatie, heimwee en schuldgevoel dicht aan de oppervlakte liggen, de hoofdpersoon van de serie.

Naast haar blijft Biemans toch altijd de beschouwende, ietwat slungelige Nederlander, die van alles niet begrijpt – om te beginnen Audreys diepe gevoelens voor God en vaderland. De gedwongen landverhuizing zet hun huwelijk op scherp, zodat Brieven ut Andalusië ook een verhaal is over liefde en onthechting – vol schitterende scènes uit een huwelijk, waarin Biemans de grote verschillen tussen hem en zijn vrouw scherp en openhartig neerzet.

Het is deze persoonlijke benadering, de inventieve brievenvorm, en de verliefde beelden van Zuid-Spanje die Brieven aan Andalusië tot zo’n bijzonder ervaring maken.

De coronacrisis heeft tot een aantal nieuwe initiatieven geleid op tv en daar stak Frontberichten (BNNVARA) met kop en schouders bovenuit. De titel, waarbij je onmiddellijk aan loopgraven en bajonetten denkt, kwam onder vuur te liggen vanwege de oorlogsmetafoor die een angstaanjagende bijwerking op kijkers zou hebben. Maar de vlogberichten kwamen nu eenmaal van de plaatsen waar het coronavirus werd bestreden, zijn sporen naliet en waar niemand bij mocht.

Longartsen, IC-krachten, verpleeghuispersoneel, mensen in de gehandicaptenzorg, leraren, pakketbezorgers: allemaal vertelden ze direct in hun telefoon – zonder filter van verslaggever of redacteur – hoe hun leven er op die dag uitzag en waar ze mee bezig waren. Ze deelden hun zorgen, twijfels en angsten, en naarmate het einde naderde gelukkig ook steeds meer vrolijke momenten en successen.

Waar het aan talkshowtafels voornamelijk ging óver deze mensen, kwamen ze in Frontberichten zelf aan het woord en in beeld.

Zoals gehandicaptenverzorgster Elsje die haar eigen kinderen en kleinkinderen wekenlang op afstand hield om de bewoners van haar tehuis te kunnen knuffelen. Want die mensen hadden dat hard nodig, nu ze hun ouders niet konden zien. Of huisarts Angela die de boeren, bouwvakkers en slager uit haar dorp Sint-Oedenrode mobiliseerde in haar jacht op plastic schorten en mondmaskers.

Frontberichten is simpel van concept en eenvoudig in uitvoering. Dat betekent echter niet: weinig werk. Regisseur Geertjan Lassche en zijn team hebben vijftig dagen aan een stuk de binnenkomende vlogs zitten beoordelen en monteren. Het sloeg een stevige brug tussen oude (televisie) en nieuwe (online) media. Maar bovenal heeft het een consistente kroniek opgeleverd van de hele periode in de zorg en het gesloten openbare leven.

Op dramagebied had de Nipkowjury dit jaar keuze te over. Van Mocro Maffia 2 tot Het Geheime Dagboek van Hendrik Groen – Zolang er leven is. Van Hollands Hoop 3 tot Anne +. Uiteindelijk gingen de meeste stemmen naar Oogappels, dat op het oog het minst spannende uitgangspunt kent van allemaal: ouders die worstelen met hun pubers.

Maar daarmee raken we direct de kern van het succes. Oogappels (BNNVARA) is onmiddellijk herkenbaar voor iedereen die ouder of kind is. En zo’n effect bereiken is minder makkelijk dan het wellicht klinkt. Het resultaat wordt al snel te kneuterig of schiet in een poging tot dramatiseren zijn doel voorbij. Maar niet in Oogappels.

De tragikomische serie over ouders en pubers komt direct binnen bij mensen die er nu middenin zitten. Maar mede door het commentaar van de oma’s en de opa’s kunnen ook kijkers van andere leeftijden zich herkennen in de warmte en benauwenis van de familie. En in de lange lijnen die door families lopen: iedere ouder is ook een kind, dat levenslang met zijn eigen ouders worstelt.

Basis van het succes is allereerst het sterke script van Roos Ouwehand, die nog genoeg inspiratie zegt te hebben voor een derde seizoen. Binnen de sterke cast springen vooral de acteerprestaties van Malou Gorter en Ramsey Nasr eruit, als het tegenpolige echtpaar Merel en Erik. De een verschuilt haar machteloosheid en verdriet achter een harde, cynische façade. De ander juist achter een masker van zachtmoedige zorgzaamheid. Ook de rol van hun vroegwijze (stief)zoon Chris (Thor Braun) is zeer interessant.

En laten we tenslotte bedenker en regisseur Will Koopman niet vergeten. Na sterk drama te hebben gemaakt voor de commerciële omroepen – Gooische vrouwen, Divorce, Familie Kruys – bewijst ze ook bij de publieke omroep op haar plaats te zijn.

‘Zielige hondefillempies’, ‘mensen die niet doorvertellen als er ergens een rollerbank is’, ‘eigenlijk alles met violen erin’: de droge sketch waarin het typetje Harco opdreunt waar hij zoal van moet huilon werd in 2016 een hit op Youtube. Ook Vrouwon en Groeton, filmpjes volgens hetzelfde recept, scoorden.

Begin dit jaar was de man met de zeshoekige bril, het pruikje en het vaalblauwe trainingsjack terug met de onlineserie Joardy Season, een coproductie van VPRO en productiehuis Halal. Het getuigt van lef dat makers Jim Deddes (Harco) en regisseur Jan Hulst niet voor de makkelijke weg hebben gekozen. Ze hadden flink kunnen uitpakken met het personage, om simpelweg de Harcohonger van hun fans te bevredigen. In plaats daarvan is hij slechts zijdelings in de scènes betrokken en leidt hij de kijker langs nieuwe, vaak tenenkrommende figuren.

In Valentijn Lindsey gaat hij bijvoorbeeld op date met een arrogante vent die de zin “je moet jezelf eerst lekker in je eigen velletje steken, voordat je liefde aan een ander kan geven” zonder knipperen uit zijn mond krijgt.

Bus Simulator draait om een computerspelletje waarin de slecht geklede anti-held met uitgestreken gezicht een Duitse stadsbus navigeert – een vette knipoog naar alle gamers met miljoenengevolg.

‘Dit is wat de Nederlandse tv nodig heeft, onze god Joardy,’ schreef iemand onder een aflevering. De opmerking kreeg honderden duimpjes omhoog.

Je kunt veel theorieën op de humor van Joardy Season loslaten in een poging de genialiteit ervan te duiden. Gewoon kijken werkt sneller. En hoe vaker je Joardy Season ziet, hoe leuker het wordt.

Bijzonder aan Sinan Can is dat hij weliswaar spraakmakende documentaires over het Midden-Oosten maakt, maar dat hij dat niet genoeg vindt. Hij wil méér kijkers trekken dan de paar honderdduizend trouwe NPO2-kijkers. Hij wil impact hebben.

Daarom trad hij dit jaar aan in Wie is de Mol, waar hij zich zo opvallend lui gedroeg (tactiek, volgens hem) dat de hashtag #Watgaatsinandoen? in het leven werd geroepen. En hij maakte Sinan zoekt de klas van Elias waarin hij de kinderen van een uiteengedreven Syrische klas bij elkaar zocht, en zo 800.000 kijkers liet meeleven met een stel gevluchte kinderen. De jongen Elias werd overspoeld met emotionele reacties.

In de documentaireserie Voorbij de grenzen van Saoedi Arabië, zijn beste werk tot nu toe, ontsluit hij voor ons een gesloten totalitair bestuurde samenleving. Hij spreekt de taal, weet overal binnen te komen, doet zich voor als de vriendelijke beer, om vervolgens toch die ene vervelende vraag te stellen.  Hij houdt de toon luchtig, en heeft hij ook oog voor de humor die de Saoedische worsteling met modernisering met zich meebrengt. Het lijkt op Onze man in Teheran, maar dan kritischer. Want Can laat ook zien waarom de serie voor ons van belang is: de Saoedi’s zijn trouwe bondgenoten van het Westen, maar ze exporteren tegelijk extremistisch, zelfs terroristisch gedachtegoed.  Waar dat toe kan leiden zien we in de herfst, als zijn reeks over de Hofstadgroep uitkomt.

Sinan Cans streven naar impact is geslaagd. Eerder doorbrak hij met  Bloedbroeders het Turkse taboe op de Armeense genocide. Met zijn films over Syrië en het Midden-Oosten kweekte hij begrip voor moslims en vluchtelingen.  Hij ontving maar liefs drie Humanistische prijzen wegens het bevorderen van de ‘medemenselijkheid’ in Nederland. De nieuwe hashtag zou dan ook moeten luiden: #watgaatsinanwinnen?

 

 

 

In de VPRO-jeugdserie Zeven kleine criminelen van Rob Lücker besluit een groep tieners met uiteenlopende kwaliteiten en motieven in een bloedhete zomer de best beschermde bank van het land te beroven – een project dat wordt ondernomen met meedogenloze creativiteit. Het zijn alle zeven kinderen om van te houden én om een beetje bang voor te zijn.

Het resultaat is meer dan een minderjarige variant op La casa de papel. De makers hebben een zinderende wereld geschapen, met jonge karakters die afwisselend sociaal, geniepig, opofferingsgezind, onhandelbaar en extreem vindingrijk zijn – dit tot frustratie van de volwassenen, die overigens ook niet vrij van eigenaardigheden zijn.

Zeven kleine criminelen is geestig, onsentimenteel en waanzinnig spannend, ook al doordat de ‘kleinen’ niet de enige criminelen zijn. De actie dendert voort in een wereld die wordt gevat in geweldige beelden. De prachtige fotografie en de harde, vervreemdende locaties doen aan de jaren dertig denken, terwijl de helden (en hun vijanden) wel gewoon de beschikking hebben over hedendaagse technologie.

Zo wordt er in Zeven kleine criminelen onophoudelijk gedreigd met absurdisme, waarbij de kunstmatigheid van het decor een spannend verbond aangaat met de aardse achtergrond van het verhaal, waarin schuldenproblematiek een belangrijke aanjager is. Uiteindelijk krijgt de actie steeds voorrang en wordt de kijker geen moment rust gegund. De serie is een hoogtepunt in de televisieproductie van dit jaar.

De Nipkowschijf-uitreiking wordt mogelijk gemaakt door onze sponsors